Categoriearchief: dieren

Hittestress

We beleven een buitengewoon boeiende zomer. De gazons liggen er doods bij en het blad valt knisperend van de bomen, maar niet eerder zag ik zoveel libellen in mijn tuin. Enthousiast begroette ik de paardenbijter. Maar dat bleek een saaie pier nadat ik het amoureuze spel van de vuurjuffers had gezien. Alles open en bloot zichtbaar vanaf mijn veranda. Met gekoelde witte wijn in de hand zat ik ineens midden in een natuurfilm.

Parende vuurjuffers

Mijn favoriet was echter toch de aan schone beken gebonden weidebeekjuffer. Dat deze parel, die ik associeer met de mooiste natuurgebieden, nu hier kind aan huis was… Waar heb ik dat aan te danken, toch niet aan het dagelijks verse water in het vogelbad?

Nee, verwacht van mij geen huilerige verhalen over de opwarming van de aarde en de achteruitgang van de biodiversiteit. De natuur zal zich wel redden – beter zelfs dan de mens. Beschouw de veranderingen in soortensamenstelling maar als natuurlijke selectie. Darwin schreef er al over.

Ja, er zullen hier plantjes en beestjes verdwijnen. Maar als onze (klein)kinderen over dertig jaar ‘karakteristieke’ Nederlandse natuur willen zien, vliegen ze toch gewoon naar Lapland? Ik laat me graag verrassen door exotische nieuwkomers. Dat proces is trouwens al in volle gang. En wat is er mis aan tijgerspin, nijlgans, goudlynx, Amerikaanse rivierkreeft of halsbandparkiet? Kleurloos kun je deze klimaatvluchtelingen niet noemen.

Paardenbijter

Ook voor de door het weer geplaagde boeren heb ik een oplossing bedacht. Als door hittestress de maïs- en grasteelt in het gedrang komt, kunnen zij beter overgaan op druiven. Als ze tijdig omschakelen vullen zij mooi het gat dat hun collega’s in Bordeaux en Bourgogne binnenkort laten vallen. Tel uit je winst: dan zijn wij verlost van de stront en wijn drinkt zoveel plezieriger dan melk.

Jammer, dat het eind in zicht komt van de hier in het Oosten al bijna vier weken durende hittegolf. Wat zal ik de zwoele zomernachten missen.
Proost.

Sterven is normaal, ook in Oostvaardersplassen

Met stijgende verbazing heb ik de afgelopen weken de strijd over de grote grazers in de Oostvaardersplassen gevolgd. Niet het dispuut over wel of niet bijvoeren was verrassend, want die discussie wordt al decennia gevoerd zodra er aan het eind van de winter veel dieren sterven. Nee, het was de felheid, de emotie en ongetemde woede van de demonstranten die mij intrigeerde.

De grazers kunnen ’s winters maanden teren op hun dikke speklaag (Oostvaardersplassen).

Nog opzienbarender was het besluit van Provincie Flevoland om direct bij te gaan voeren, terwijl ze toegeeft dat dit de dieren niet helpt. Een fraaie demonstratie van gebrek aan ruggengraat bij de bestuurders, die wel erg snel capituleren onder de intimidaties. Flevoland hoopt zo de ‘maatschappelijke onrust’ te stoppen. Kortom, het bevoegd gezag kiest voor een actie die slecht uitpakt voor de dieren, met als argument: het volk wil het. Dit riekt wel heel erg naar populisme…

Zou het toeval zijn dat een eerdere beslissing met grote negatieve gevolgen voor het functioneren van de Oostvaardersplassen –  namelijk het schrappen van de voorgenomen verbindingszone richting Veluwe (door staatssecretaris Henk Bleker tijdens kabinet Rutte 1 ) –  ook tot stand kwam in populistische sferen?

In de gevoerde discussie vallen mij nog een aantal zaken op:

  • Grazende konik in Oostvaardersplassen.

    Het merkwaardige bondgenootschap van activistische boeren, grofgebekte paardenmeisjes en zeehondenknuffelaars dat met alle geweld wil bijvoeren blijkt onweerstaanbaar voor de Nederlandse media. Hun geschreeuw heeft daardoor een groot bereik.
    Maar dat had de bioscoopfilm Nieuwe Wildernis ook…

  • Deze lawaaierige dierenvrienden verwarren hun gesol met poedels en pony’s, en het slavenregime in de veeteelt met verantwoord faunabeheer.
  • Dit volk heeft echt het contact met de natuur verloren. Komen deze mensen ooit buiten? En beseffen ze wel hoeveel beter de wilde grazers af zijn dan hun eigen gedomesticeerde mormels?
  • Dieren mogen blijkbaar niet sterven, tenzij door het spuitje van de dierenarts of mes van de slager.
  • Ondanks de forse sterfte deze winter is er onder deskundigen onverminderd brede steun voor het door Staatsbosbeheer uitgevoerde begrazingsbeheer van zo weinig mogelijk ingrijpen en zoveel mogelijk ruimtegeven aan natuurlijke processen.
  • Dezelfde deskundigen pleiten keer op keer voor het alsnog realiseren van de verbindingszone naar het Horsterwold, zodat de dieren zich meer kunnen verplaatsen en de variatie in landschap en beschutting beter benutten.

Hoe nu verder?
Lees verder Sterven is normaal, ook in Oostvaardersplassen

Insecten verdwijnen

In een gezond landschap miegelt het van de insecten. Hoe completer de natuur, hoe meer beestjes er rondkruipen, ritselen, fladderen, zoemen, kriebelen en ja, soms ook steken. Nooit zal ik de akoestische sensatie vergeten die ik onderging bij het betreden van het beroemde Poolse nationaal park Bialowieza. Zodra je het bosgebied door de houten poort betrad werd je ondergedompeld in een kolossaal gezoem, dat pas stopte als je het bos verliet. Mijn vriend en collega-onderzoeker Tomasz had een originele manier om de muggenstand enigszins te kwantificeren: hij sloeg eenmaal met vlakke hand op zijn borst of been en telde de slachtoffers. Zijn record: 42. Het zal geen toeval zijn dat ik in Europa geen ander bos ken met zo’n diversiteit aan vogels.

Dramatische afname
Vorig week publiceerden Duitse en Nederlandse ecologen een alarmerend artikel waarin zij beschreven dat de insectenmassa in 63 Duitse natuurgebieden in de afgelopen 27 jaar met gemiddeld 76 procent is afgenomen. Natuurlijk wist ik dat het slecht ging met dagvlinders en bijen, en merk ik al jaren dat het buiten minder ritselt en zoemt, toch schrok ik van deze uitkomst. Die is dramatisch.
Maar ik ben bang dat de achteruitgang in ons land nog groter is. Want ik fiets regelmatig op het platteland bij onze oosterburen; daar oogt het toch net wat minder steriel dan thuis. Ik zie er meer bosjes en houtwallen, overhoekjes, leukere graslanden en bontere bermen. Ik zie daar ook meer vogels en verwacht daarom ook meer insecten.

Landbouw op dood spoor
Omdat de onderzochte natuurgebieden goed worden beheerd vermoeden de ecologen dat de achteruitgang van insecten het gevolg is dan de landbouw op de omringende gronden. Dat lijkt me een voor de hand liggende conclusie.
Dit zou het zoveelste signaal zijn dat we met de intensivering en industrialisatie van onze voedselproductie op een dood spoor zitten. Zelfs een boerenpummel begrijpt dat de reguliere boer door schaalvergroting, ontwatering, bemesting, gebruik van bestrijdingsmiddelen en antibiotica vele basale ecologische wetten met voeten treedt. De boer als god –  dat kan niet goed gaan.

Nieuwe minister
Maar er gloort hoop aan de horizon. Onze nieuwe landbouwminister is van CU-huize en uiterst ambitieus. Deze slimme boerendochter lijkt me de aangewezen persoon om de puinhopen die natuursloper en praatjesmaker Henk Bleker heeft achtergelaten te saneren, en dan doorpakken! Want het landbouwbeleid moet op de schop, in Nederland en in de EU.
Wat we nodig hebben is meer ruimte voor natuur, veel minder voor landbouw. En vanzelfsprekend moet de landbouw écht duurzaam worden. En de vervuiler (zowel boer als consument) gaat serieus betalen voor zijn slecht gedrag, zodanig dat biologische producten automatisch goedkoper worden dan het vlees, melk, groente, fruit van reguliere teelt. Lees verder Insecten verdwijnen

In de ban van slechtvalk 2

“Kek- kek- kek”, klonk het op 6 mei schel boven ons huis. Vanuit de tuin kon ik de geluidsbron niet zien, maar het maakte wel dat ik de rest van de middag enigszins opgewonden de hemel in de gaten hield. Want dit leek verdacht veel op de roep van de slechtvalk, een van mijn favoriete vogels. Waarom? Lees dat in een andere blog. Niet dat ik deze fiere jager zo goed ken. Zo vaak zie ik de vogel niet, en horen nog minder. De slechtvalk associeer ik met vogelrijke woeste landschappen zoals de Wadden waar ik de vogel in de winter vaak zie jagen. Of met steile rotswanden in gebergten, waar de valk broedt. Voor mij is de slechtvalk vooral een vakantievogel.

Ik was de valk boven mijn huis alweer vergeten toen ik drie weken later het markante geluid opnieuw hoorde, boven het kerkplein in het centrum van de stad. Nu had ik meer geluk. Boven de hoofden van de mensen gaven twee slechtvalken een wervelende luchtshow –  vreemd genoeg was ik de enige die er oog voor had. Ze lieten zich vanuit de hoogte vallen en schroefden weer naar boven, buitelden om hun as met de poten in elkaar, flitsten weg en scheerden weer terug. Het was aantrekken en afstoten. Steeds als de vogels elkaar naderden klonken hun opgewonden kreten. Ze verdwenen achter de hoge toren van de Eusebiuskerk. Het kan niet anders, dit was hun liefdesspel, en de hoge toren was vermoedelijk hun thuis. Vanaf dit moment ben ik het paar gaan volgen.

Giervalk, de grote broer van de slechtvalk, op een gevelsteen in Haarlem

Nu, ruim vier maanden later, is het tijd om balans op te maken van wat ik tijdens die tientallen uren kijken en wachten van de slechtvalkenfamilie heb gezien. Het klopte dat ze op de kerktoren zaten te broeden. Het harde bewijs hiervoor vond ik eind mei op internet: daar zag ik foto’s van 4 jonge dieren in de buurt van een nestkast, later ook een foto van een jong dat rondscharrelde op de stoep van het gemeentehuis, naast de kerk. Lees verder In de ban van slechtvalk 2

In de ban van slechtvalk 1

Soeverein overziet hij zijn rijk. Vanaf zijn hoogverheven zetel kijkt hij neer op het gepeupel dat beneden de straten en pleinen bevolkt. Het amuseert hem wel, die drukte en het gescharrel.  Met interesse volgt hij de lange blauwe bus die zich door de straatjes perst. Maar favoriet zijn de jongens die balancerend op het achterwiel van hun fietsje de trap van het stadhuis af stuiteren. Bijna dagelijks ziet hij ze daar bezig.
Met een ruk draait hij zijn kop naar de boom voor de rechtbank, hij focust en zoomt in: vier gaaien. Lekker, maar te mager, zegt zijn kennersoog. Daar gaat hij geen energie aan verspillen. Hij valt terug in ruststand, plukt wat in zijn jeukende borstveren en besluit zijn poten een schoonmaakbeurt te geven.

Jonge slechtvalk in torenspits van Eusebiuskerk, Arnhem.

Terwijl hij met zijn snavel de bloederige klontjes ontbijt weg peutert, ziet hij aan de overkant van de rivier een vlucht postduiven koersen. Daar zat ie op te wachten. Hij tilt zijn staart omhoog en spuit een witte straal ontlasting op de leistenen torenspits. Met gespreide vleugels laat zich voorover vallen. De lucht tilt hem op, waarna hij met krachtige vleugelslagen omhoog roeit. In ruime cirkels spiraalt hij steeds hoger boven de Eusebiuskerk, zijn vesting. Afwisselend zwevend en roeiend nadert de jager de rivier. Met bloot mensenoog vanaf de grond inmiddels onzichtbaar en nog hoger klimt hij.

De groep postduiven maakt hun dagelijkse rondje, blij om de stramme spieren te kunnen strekken na de nacht in hun hok. Ze hebben er zin in en maken flink vaart. Wie het eerst thuis is!

Honderden meters boven hen loert de snelste jager tussen hemel en aarde. Terwijl hij rustig op de thermiek zweeft beraamt de slechtvalk zijn aanvalsplan: hij schat in welke baan de duiven zullen volgen, kiest zijn duif – de bruinwitte, die wat houterig beweegt – en zijn hoek. “Nu”, besluit hij. De vogel duikt de diepte in en vouwt zijn vleugels tot vlak op zijn lijf. Als een scheermes snijdt hij door de lucht, heeft nauwelijks weerstand maar kan wel minutieus sturen. Loodrecht suist het projectiel naar beneden, de snelheid neemt toe tot wel 300 kilometer/uur. De slechtvalk heeft zijn oog vastgepind op de bruinwitte duif, die nu razendsnel groter wordt. Ineens paniek bij de duiven, de vlucht stuift uiteen. Maar te laat! De klap waarmee de slechtvalk zijn prooi raakt blijkt een doodsklap. Levenloos valt de bruinwitte verenmassa uit de groep. Met een sierlijk zwaai scheert de valk er achteraan en grijpt zijn lunch achteloos uit de lucht.

Al een drietal weken ben ik in de ban van de slechtvalk. Eigenlijk sinds ik ontdekte dat deze onverschrokken roofvogel op nog geen kilometer van mijn huis broedt: bovenop de toren van de Arnhemse  Eusebiuskerk. We zijn stadsgenoten zogezegd.
Regelmatig ga ik bij ze kijken. Wat niet wil zeggen dat ik ook veel zie, want de toren is hoog en heeft veel verborgen plekken. Ook zijn de valken lang niet altijd thuis – hun leefgebied is uitgestrekt en als ze ergens rustig zitten zie je ze gemakkelijk over het hoofd.

O, wat zou ik graag de hierboven bedachte duivenjacht eens met eigen ogen zien… Tot dat moment moet ik me behelpen met dit soort filmpjes van youtube.

Normaal

Na jaren zeuren en wachten was het eindelijk zover. Het luxe onderkomen was door experts goedgekeurd en de eerste termijn betaald: de reis naar Holland kon beginnen. Als popsterren werden ze op Schiphol onthaald. Jammer was wel dat het selecte publiek, de camera’s van de NOS, en dus ook de mensen thuis, Elegante Ster en Krachtige Wolk maar zo kort zagen.

Dierenliefhebbers
Terwijl het ganse volk thuis in vervoering voor de buis hing, in de hoop op nóg een glimp, dwaalde mijn gedachten af naar de Chinese leiders die in hun oneindige gulheid onze natie deze eer hadden gegund. In gedachten zag ik ze onderuitgezakt in hun roodfluwelen fauteuils hangen, een bel cognac in de rechter, een Havanna in de linkerhand, een geblondeerde deerne op de knie. Zweet parelt op hun voorhoofden, de salon blauw van de rook. En lachen dat ze doen. Die domme Hollanders, die dominees met hun kritische wijsvingertje, ook zij waren er ingestonken.

U weet, Chinezen zijn echte dierenliefhebbers, als geen ander beseffen ze de intrinsieke waarde van hun fauna. Als je een dier niet kunt eten, of tot medicijn vermalen, kun je hem altijd nog aan je vrienden leasen. Daarbij geldt: hoe mooier het verhaal, hoe hoger de prijs. En nog belangrijker is de Oud-Chinese wijsheid: hoe zeldzamer, hoe duurder. “En schaarste creëer ikzelf,” schatert leider Xi. “Lieve Mark, speciaal voor jullie.” Zijn bleke hoofd kleurt rood van opwinding: “Slechts één miljoen euri per jaar! Een koopje!” De bulderende lach gaat over in droog gehoest en stolt in groen gerochel. De halve Havanna rolt over het tapijt.

Reuzenpanda

Reuzenpandagekte
Enkele weken later op de Utrechtse Heuvelrug.
Het Nederlandse volk is niet meer te houden: die quarantaine duurt toch echt te lang. De meute rijdt en masse naar Rhenen en betaalt grof geld om een leeg hok te mogen zien. Naast verstopte wegen leidt het bijna tot een handgemeen met de buurman, die ineens toch níet wil meewerken aan een parkeerplaats voor 1400 blikken. Ik ben bang dat de reuzenpandagekte nog nauwelijks is begonnen.

Waarom mensen, waarom doen we collectief zo idioot? Omdat deze mormels van die schattige ronde vormen hebben? Omdat ze zo mooi zwart-wit getekend zijn? Omdat ze zo veel slapen? Omdat ze bamboe zo lekker vinden? Omdat.., omdat… Omdat het kan?
Kom op mensen, luister naar wat onze grote leider Mark onlangs zei: “Doe normaal”.

Wat ziet u?

Wat ziet u? Die vraag krijg ik regelmatig als ik ergens in het buitengebied door mijn verrekijker of telescoop sta te turen. De vraagsteller is niet zelden een vrouw van middelbare leeftijd, die op stevige schoenen een clubje wandelvriendinnen aanvoert. Nog vaker is het een fitte vutter die met haar partner op e-bike geruisloos is komen aanglijden. De belangstelling achter die open vraag voelt gemeend, daarom reageer ik serieus, of ik nu een zingende veldleeuwerik bespied, stoeiende hazen of een laag boven de hei jagende kiekendief. Mijn uitleg wordt gretig geconsumeerd. Soms volgen nieuwe vragen, niet zelden in de vorm van een vage beschrijving van een vreemd beest dat de passant onlangs zag – of ik het even op naam kan brengen. Natuurlijk voel ik me gestreeld door het gestelde vertrouwen, al los ik het raadsel lang niet altijd op.

Zodra ik achter me hoor knorren ‘al wat gezien?’, ben ik op mijn hoede. Het blijkt dan altijd een man, doorgaans groenig gekleed, niet zelden met een ongezonde vracht optiek om de nek. Uit ervaring weet ik dat deze lui niet geïnteresseerd zijn in mijn waarnemingen van vrolijk kwetterende puttertjes, de in dennenappels peuterende kruisbekken of op muggen jagende boerenzwaluwen. Deze vogelaars willen scoren: zeldzaamheden zien. Hoe zeldzamer, hoe meer punten. Uit baldadigheid vertel ik ze juist níet over de slangenarend die zojuist overvloog, de klapekster verderop, of over die groep van 44 raven. Nee, liever verveel ik ze met staartmeesjes, vinken en kauwen. Dan ben ik het snelst van ze af. Want de twitchers (zo noemen ze zich) willen verder, ze hebben altijd haast. Immers dankzij smartphone en internet weten zij maar al te goed wat zij vandaag nog níet hebben gezien.

Het zijn niet mijn vrienden deze jagers, die in hun diesels met sjoemelsoftware stad en land af racen na een ‘alert’ van een dwaalgast die nog op hun lijstje ontbreekt. In de competitie om hun persoonlijke ranking te verbeteren gaan ze ver. Verbodsborden, privéterrein, afgesloten zones van gelden vooral voor anderen. Omdat de soortenjagers massaal op dezelfde meldingen af komen – als vliegen op stroop – loopt het nog wel eens uit de hand. Niet elke terreinbeheerder en niet elke vogel is blij met deze aandacht.

Noem het geen onschuldige hobby. Twitchen is serious bussiness.

Heeft twitchen nog iets met natuurbeleving te maken? Ik betwijfel het. Welbehagen, ontspanning laat staan vreugde lees ik zelden van hun gezichten, wel stress en ergernis. Op basis van het vertoonde gedrag en de speeltjes plaats ik de vrijetijdsbesteding eerder tussen vliegtuigspotten en postzegels verzamelen.

Zin in lente

Ook zo’n zin in de lente? En kunt u na die fraaie zonnige dagen vorige week ook nauwelijks wachten om de winterjas definitief op te bergen?

Dan heb ik slecht nieuws: onstuimige herfstbuien schuiven al over ons land. Houdt dus die warme jas vooral in de buurt. Dat voelt een beetje ‘terug naar af’. Maar niet getreurd, het is immers nog winter. En veel te vroeg voor witte wijn nippen op het zonovergoten terras en T-shirts met korte mouwen. Niet zonder reden begint het voorjaar volgens de kalender pas over een maand.

Eigenlijk ben ik wel blij dat hier de winter zo geleidelijk naar lente verglijdt. Want juist tijdens deze overgang gebeurt er buiten veel moois. Zóveel, dat is niet in een paar weken te proppen. De natuur neemt de tijd voor de spectaculaire omschakeling vanuit winterrust naar actie, voortplanting en groei. Daar zit ik graag met mijn neus bovenop. Oók tijdens frisse winderige dagen in de rafels van de winter.

Zo ontdekte ik gisteren dat onze tuinmerelman, een oude bekende, ineens sjans heeft met een mooie donkerbruine dame. Vrijpostig inspecteerde deze vreemdeling onze struiken af naar veilig plekken voor een nest. Intussen zat hij quasi nonchalant klimopbesjes te kanen. Voluit zingen doet hij vreemd genoeg weinig, maar binnensnavels murmelt hij al weken, vooral als de zon een beetje schijnt. Ook de tuinheggemus heeft een scharrel. Ik zag ze enkele dagen donderjagen. Daarna zijn ze letterlijk gevlogen. Ook de pimpelmeesjes zijn sinds een weekje gezellig met z’n twee.

Over donderjagen gesproken. De blauwe reigers in het park verderop hebben de oude nesten weer betrokken. Daar wordt geknokt, geflirt en schor geschreeuwd. Prachtig om te zien hoe setjes hun band verstevigen door samen het nest van de buren te plunderen.
Op de gazons en weides van het park hebben paartjes nijlganzen strategische posities ingenomen. Soortgenoten die in de buurt komen worden getrakteerd op luid gesis, als dit niet helpt volgt een hardhandige charge. Ook de groep meerkoeten heeft zich opgelost in vechtlustige koppels. Overal in het parkbos hoor ik sinds kort de vinkenslag. Ook de eerste zanglijster liet van zich horen. Het klonk nog wat weifelend, maar elke strofe herhaalde hij wel netjes tweemaal, zoals dat volgens de boekjes hoort.

En dan heb ik het nog niet eens over planten gehad, of dansende muggen, onze straatvleermuizen of de tientallen vogelsoorten die de komende weken uit het zuiden komen.

Bromsnor

Vroeg opstaan, terwijl het buiten koud en pikdonker is, valt me niet gemakkelijk. Maar ik hoop vandaag iets van de hertenbronst mee te maken, en daar wil ik best wat moeite voor doen. Bovendien, de spectaculaire sterrenhemel boven mij belooft, dit wordt mijn dag.

Strijden en verleiden
Het lukt me (weer) niet om mijn rug droog te houden wanneer ik op mijn zwaar bepakte fiets het Veluwemassief op klauter. Zo gretig haast ik me de stad uit, want bos en beesten trekken. Rechts van me kleurt het landschap langzaam roze. Nu zie ik ook de mistflarden op de hei. Vlakbij, in de bosrand staan de silhouetten van vijf kleine herten. Ik gun me geen tijd om mijn kijker te pakken. Want verderop, op de grote hei, dáár gebeurt het! Het zijn min of meer vaste plekken waar de mannelijke en vrouwelijke herten elkaar ontmoeten, waar kerels strijden en vrouwen verleiden, waar gecopuleerd en soms zelfs gedood wordt – alleen weet je als argeloze bezoeker nooit waar je de grootste kans maakt op spektakel. Ik gok op een plek waar ik drie jaar geleden mooie dingen zag. Daar heb ik goed licht (in de rug) en sta ik gunstig voor de wind (zodat de dieren me niet ruiken of horen).

Precies op het moment van zonsopkomst ga ik door het klaphek van het Deelerwoud. De boswachter die me vijf minuten later aanhoudt denk daar anders over. “Zonsopkomst is vandaag 7 uur 34; nu is het half acht, u bent dus te vroeg in het gebied. Dit is een waarschuwing!”, bromt het dreigend uit de terreinauto. Oef, hartelijk welkom bij Natuurmonumenten.

Testosteron
Ik fiets over een zandpad verder de hei op en vind een mooie plek op een heuvel, met uitzicht op een zee van oranje en blauwige mistflarden. Daaruit klinkt al de karakteristieke roep van twee, drie hertenmannetjes. Niet te verwarren met het eentonige getoeter van de Hooglandstieren die zich ook laten horen. Nu de oranje ploert boven de bomen uitstijgt, lost de mistzee op in dunne, gestapelde rafels. Een betoverd lichtspel dat elke minuut verandert. Ik onderscheid steeds meer details in het landschap. Tijd om mijn telescoop op de driepoot te zetten. En ja hoor, in de verte in een slenk die diagonaal over het heideveld loopt zie ik in de dunne grondmist een fors hert staan.
Lees verder Bromsnor

In de val

Het zal je maar gebeuren, dat je als onbevreesd roofdier sneuvelt in de tentakels van een nietig plantje. Deze juffer was gedurende een handvol weken de heerser van het moeras. Met zijn dubbelpaar vleugels surveilleerde hij als een jachtvliegtuig boven het ven, altijd waakzaam, altijd hongerig. Zodra het slanke diertje ’s ochtends opgewarmd was ging het de lucht in. Met zijn grote ogen scande het de omgeving af, op zoek naar prooi. Geen mug of vlieg die tussen de brede kaken paste was veilig. Vliegensvlug was de rover, zijn kaken beresterk.

Natuurlijk had de felle jager zelf ook belagers: zwaluwen, grotere libellensoorten, de boomvalk. Maar dit risico was letterlijk te overzien. Gewoon en kwestie van de hemel goed in de gaten houden. En dat is tweede natuur voor de libellen – je hebt niet voor niets van die gigantische ogen.

En dan te bedenken dat deze ranke vlieger als larve al een heel leven als waterdier achter de rug had. Gedurende soms wel enkele jaren scharrelde het als onderwatermoordenaar in het ven zijn kostje bij elkaar. Eitjes, kikkervisjes, insecten, kleinere larven, zelfs soortgenoten – niets was veilig voor de rover. Een lange voorbereiding om na het verpoppen enkele weken in vol ornaat te kunnen vliegen. Alles in dienst van de voortplanting, want dit moest in deze hoogtijdagen ook nog plaatsvinden.

Soms wil zelfs een machtige macho even rusten, om bij te komen en te dromen van het allerslankste juffervrouwtje.  Wel sullig om dan juist op de kleverige vangarmen van zonnedauw te landen. Het is deze vleeseter met zijn oogstrelende glitter en blingbling weer eens gelukt. Langzaam, tergend langzaam buigen de bladeren zich om de prooi, spijsverterende sappen komen vrij en de maaltijd kan beginnen.