Categoriearchief: natuur in de stad

Hittestress

We beleven een buitengewoon boeiende zomer. De gazons liggen er doods bij en het blad valt knisperend van de bomen, maar niet eerder zag ik zoveel libellen in mijn tuin. Enthousiast begroette ik de paardenbijter. Maar dat bleek een saaie pier nadat ik het amoureuze spel van de vuurjuffers had gezien. Alles open en bloot zichtbaar vanaf mijn veranda. Met gekoelde witte wijn in de hand zat ik ineens midden in een natuurfilm.

Parende vuurjuffers

Mijn favoriet was echter toch de aan schone beken gebonden weidebeekjuffer. Dat deze parel, die ik associeer met de mooiste natuurgebieden, nu hier kind aan huis was… Waar heb ik dat aan te danken, toch niet aan het dagelijks verse water in het vogelbad?

Nee, verwacht van mij geen huilerige verhalen over de opwarming van de aarde en de achteruitgang van de biodiversiteit. De natuur zal zich wel redden – beter zelfs dan de mens. Beschouw de veranderingen in soortensamenstelling maar als natuurlijke selectie. Darwin schreef er al over.

Ja, er zullen hier plantjes en beestjes verdwijnen. Maar als onze (klein)kinderen over dertig jaar ‘karakteristieke’ Nederlandse natuur willen zien, vliegen ze toch gewoon naar Lapland? Ik laat me graag verrassen door exotische nieuwkomers. Dat proces is trouwens al in volle gang. En wat is er mis aan tijgerspin, nijlgans, goudlynx, Amerikaanse rivierkreeft of halsbandparkiet? Kleurloos kun je deze klimaatvluchtelingen niet noemen.

Paardenbijter

Ook voor de door het weer geplaagde boeren heb ik een oplossing bedacht. Als door hittestress de maïs- en grasteelt in het gedrang komt, kunnen zij beter overgaan op druiven. Als ze tijdig omschakelen vullen zij mooi het gat dat hun collega’s in Bordeaux en Bourgogne binnenkort laten vallen. Tel uit je winst: dan zijn wij verlost van de stront en wijn drinkt zoveel plezieriger dan melk.

Jammer, dat het eind in zicht komt van de hier in het Oosten al bijna vier weken durende hittegolf. Wat zal ik de zwoele zomernachten missen.
Proost.

Beek terug in binnenstad Arnhem

Grote waterval in park Sonsbeek, Arnhem

De Arnhemse parken Sonsbeek en Zijpendaal ontlenen veel van hun charme aan de beek die klaterend en sprankelend van de stuwwal stroomt. Want zonder beek geen fraaie vijvers, fonteinen, Grote en Kleine waterval, bronbosjes en orchideeënrijke moerasweide. Geen exotische vergezichten en al helemaal geen goudveil en ijsvogeltjes. Vanzelfsprekend mondde de Sint Jansbeek – want zo heet ie – ooit uit in de Rijn. Het schone water en de waterkracht van het stroompje verleidde lang geleden mensen om zich onderaan de glooiingen van het Veluwemassief te vestigen en bedrijven te starten.

Vallend water bij watermolen Sonsbeek, Arnhem

Al in de zesde eeuw was er een nederzetting en vanaf de dertiende eeuw draaiden er watermolens. Die maalden koren, persten olie en vervaardigden papier. Het heldere water werd benut door brouwers, leerlooiers en wasserijen. Feitelijk heeft de beek aan de basis gestaan van de ontwikkeling van Arnhem, niet de Rijn zoals veel mensen denken. Die werd pas in 1530 bij de stadsmuur gebracht.

De bedrijvigheid langs de beek groeide uit tot een heus industriegebied. Goed voor de welvaart, maar slecht voor de beek. Die werd steeds meer een open riool. Vandaar dat de Sint Jansbeek vanaf de achttiende eeuw uit het stadscentrum is verdwenen.

Blauwe levensader van Arnhem hersteld
Tegenwoordig beseffen we gelukkig beter het belang van een schone beekloop in de stad. Een groepje taaie, oudere Arnhemse heren voerde jarenlang lobby om de beek weer bovengronds te brengen. Dat idee paste wonderwel bij het plan van gemeente en provincie om het stadsdeel dat in 1944 zo heftig is aangerand te ontwikkelen en verfraaien. Het wonder is nu geschied: de blauwe levensader van Arnhem is grotendeels hersteld. Want sinds een week stroomt de beek weer door de zuidelijke binnenstad en stort via een dubbele waterval in de Rijn. En nu hoop ik maar dat de gemeente snel geld reserveert voor de uitvoering van het resterende deel (in Beek- en Bovenbeekstraat).
Lees verder Beek terug in binnenstad Arnhem

In de ban van slechtvalk 2

“Kek- kek- kek”, klonk het op 6 mei schel boven ons huis. Vanuit de tuin kon ik de geluidsbron niet zien, maar het maakte wel dat ik de rest van de middag enigszins opgewonden de hemel in de gaten hield. Want dit leek verdacht veel op de roep van de slechtvalk, een van mijn favoriete vogels. Waarom? Lees dat in een andere blog. Niet dat ik deze fiere jager zo goed ken. Zo vaak zie ik de vogel niet, en horen nog minder. De slechtvalk associeer ik met vogelrijke woeste landschappen zoals de Wadden waar ik de vogel in de winter vaak zie jagen. Of met steile rotswanden in gebergten, waar de valk broedt. Voor mij is de slechtvalk vooral een vakantievogel.

Ik was de valk boven mijn huis alweer vergeten toen ik drie weken later het markante geluid opnieuw hoorde, boven het kerkplein in het centrum van de stad. Nu had ik meer geluk. Boven de hoofden van de mensen gaven twee slechtvalken een wervelende luchtshow –  vreemd genoeg was ik de enige die er oog voor had. Ze lieten zich vanuit de hoogte vallen en schroefden weer naar boven, buitelden om hun as met de poten in elkaar, flitsten weg en scheerden weer terug. Het was aantrekken en afstoten. Steeds als de vogels elkaar naderden klonken hun opgewonden kreten. Ze verdwenen achter de hoge toren van de Eusebiuskerk. Het kan niet anders, dit was hun liefdesspel, en de hoge toren was vermoedelijk hun thuis. Vanaf dit moment ben ik het paar gaan volgen.

Giervalk, de grote broer van de slechtvalk, op een gevelsteen in Haarlem

Nu, ruim vier maanden later, is het tijd om balans op te maken van wat ik tijdens die tientallen uren kijken en wachten van de slechtvalkenfamilie heb gezien. Het klopte dat ze op de kerktoren zaten te broeden. Het harde bewijs hiervoor vond ik eind mei op internet: daar zag ik foto’s van 4 jonge dieren in de buurt van een nestkast, later ook een foto van een jong dat rondscharrelde op de stoep van het gemeentehuis, naast de kerk. Lees verder In de ban van slechtvalk 2

In de ban van slechtvalk 1

Soeverein overziet hij zijn rijk. Vanaf zijn hoogverheven zetel kijkt hij neer op het gepeupel dat beneden de straten en pleinen bevolkt. Het amuseert hem wel, die drukte en het gescharrel.  Met interesse volgt hij de lange blauwe bus die zich door de straatjes perst. Maar favoriet zijn de jongens die balancerend op het achterwiel van hun fietsje de trap van het stadhuis af stuiteren. Bijna dagelijks ziet hij ze daar bezig.
Met een ruk draait hij zijn kop naar de boom voor de rechtbank, hij focust en zoomt in: vier gaaien. Lekker, maar te mager, zegt zijn kennersoog. Daar gaat hij geen energie aan verspillen. Hij valt terug in ruststand, plukt wat in zijn jeukende borstveren en besluit zijn poten een schoonmaakbeurt te geven.

Jonge slechtvalk in torenspits van Eusebiuskerk, Arnhem.

Terwijl hij met zijn snavel de bloederige klontjes ontbijt weg peutert, ziet hij aan de overkant van de rivier een vlucht postduiven koersen. Daar zat ie op te wachten. Hij tilt zijn staart omhoog en spuit een witte straal ontlasting op de leistenen torenspits. Met gespreide vleugels laat zich voorover vallen. De lucht tilt hem op, waarna hij met krachtige vleugelslagen omhoog roeit. In ruime cirkels spiraalt hij steeds hoger boven de Eusebiuskerk, zijn vesting. Afwisselend zwevend en roeiend nadert de jager de rivier. Met bloot mensenoog vanaf de grond inmiddels onzichtbaar en nog hoger klimt hij.

De groep postduiven maakt hun dagelijkse rondje, blij om de stramme spieren te kunnen strekken na de nacht in hun hok. Ze hebben er zin in en maken flink vaart. Wie het eerst thuis is!

Honderden meters boven hen loert de snelste jager tussen hemel en aarde. Terwijl hij rustig op de thermiek zweeft beraamt de slechtvalk zijn aanvalsplan: hij schat in welke baan de duiven zullen volgen, kiest zijn duif – de bruinwitte, die wat houterig beweegt – en zijn hoek. “Nu”, besluit hij. De vogel duikt de diepte in en vouwt zijn vleugels tot vlak op zijn lijf. Als een scheermes snijdt hij door de lucht, heeft nauwelijks weerstand maar kan wel minutieus sturen. Loodrecht suist het projectiel naar beneden, de snelheid neemt toe tot wel 300 kilometer/uur. De slechtvalk heeft zijn oog vastgepind op de bruinwitte duif, die nu razendsnel groter wordt. Ineens paniek bij de duiven, de vlucht stuift uiteen. Maar te laat! De klap waarmee de slechtvalk zijn prooi raakt blijkt een doodsklap. Levenloos valt de bruinwitte verenmassa uit de groep. Met een sierlijk zwaai scheert de valk er achteraan en grijpt zijn lunch achteloos uit de lucht.

Al een drietal weken ben ik in de ban van de slechtvalk. Eigenlijk sinds ik ontdekte dat deze onverschrokken roofvogel op nog geen kilometer van mijn huis broedt: bovenop de toren van de Arnhemse  Eusebiuskerk. We zijn stadsgenoten zogezegd.
Regelmatig ga ik bij ze kijken. Wat niet wil zeggen dat ik ook veel zie, want de toren is hoog en heeft veel verborgen plekken. Ook zijn de valken lang niet altijd thuis – hun leefgebied is uitgestrekt en als ze ergens rustig zitten zie je ze gemakkelijk over het hoofd.

O, wat zou ik graag de hierboven bedachte duivenjacht eens met eigen ogen zien… Tot dat moment moet ik me behelpen met dit soort filmpjes van youtube.

Kapstok 2

In mijn eerste blog van dit jaar beschreef ik hoe boomverzorgers de trotse esdoorn van de buren verhaspelden tot kapstok. Tijd voor een vervolg.

Vol ongeduld speurde ik in maart en april het kale ding af naar een teken van leven. Maar nee, het tweestammige gedrocht stond daar als uit graniet gebikt: doods. Het enige leven bestond uit een mannetjesmerel, die de top van de totempaal als zangpost verkoos.

Half mei, toen alle bomen in de omgeving al hun frisgroene jas droegen, stond het ding er nog even levenloos bij. Al deed ik naar mijn buren optimistisch – “Jullie zijn te ongeduldig; geef de boom wat tijd” –  zelfs ik begon mijn vertrouwen in een goede afloop te verliezen.

Tegen beter weten in scande ik dagelijks met de verrekijker stammen en takken, alsof ik zo het ding tot leven zou kunnen wekken. En warempel, na een week speuren ontdekte ik de eerste ‘wratjes’, die in enkele dagen evolueerden tot geelgroene propjes gewas. Het wonder was geschied, er zat leven in het visuele lijk!

Nu ging het hard. Want een week later telde ik al dertig plukjes groen, die voorspoedig uitgroeiden tot herkenbare esdoornbladeren. Het resultaat eind mei zie je op de foto boven dit verhaal.

Als ik dit schrijf zijn we twee weken verder. De boom oogt vitaal groen en het bladerdak breidt zich nog steeds uit.
Het valt me op dat uit veel knoppen complete mini-boompjes ploppen, met een kaarsrecht stammetje en blad langszij (foto hiernaast). Dat zal op termijn een wel heel bijzonder model opleveren: een soort dubbele groene toorts. Dus een boom die weinigen als esdoorn zullen herkennen.

Maar laat ik niet klagen, het ding leeft. Dat is het belangrijkste. Door het weelderige groen heeft de merel de totempaal verlaten en zijn oude zangpost op het dak weer opgezocht, maar daarvoor kwamen mus en koolmees in de plaats. Ook de vleermuizen mogen rond het groene ding graag hun rondjes draaien.

Het ding heeft ook voor mij voordelen: onze zonnige tuin beleeft, heel anders dan vorig jaar, nog geen slakkenplaag. En de tuinplanten bloeien dat het een lieve lust is.

Gekandelaberde schietwilg tegen wolkenAls toegift hiernaast nog een plaatje van een schietwilg die ongeveer gelijktijdig met de esdoorn gekandelaberd is:
een multi-knotwilg dus.
Oordeel zelf.

 

Een opvatting

Nee, trots ben ik niet op mijn bijdrage aan deze discussie. Meestal lukt het me beter om me te beheersen, zelfs al slaat de stoom uit mijn oren. Maar deze dame…

De ochtend begon zo mooi, met een zonovergoten wandeling in de Arnhemse stadsparken Sonsbeek en Zypendaal. Het voorjaar was definitief losgebarsten: bloemen, de eerste vlindertjes, het ritselde van het frisse blad, zelfs de beuken ontvouwden hun groene zonnepanelen. En overal zingende zwartkoppen, tjiftjaffen, vinken, en ganzenpullen bij de vleet. De reigerpubers hoog op de nesten bleken al bijna even groot als hun ouders.

Bewonderend keken metgezel A. en ik uit over een zeiknat moerassig grasland bij de bron van de beek. Sinds de parkbeheerder deze weide jaarlijks maait en verschaalt, verschijnen er steeds meer bijzondere planten, zelfs wilde orchideeën! Wij constateerden dat we dit jaar alweer méér bloeiende dotterbloemen zagen dan het handjevol planten daarvoor.

Nauwelijks waren we verder gelopen of we hoorden opgewonden stemmen achter ons. Een jonge vrouw, dochtertje en hond banjerden enthousiast in het zompige moerasje.
Ma stopte al snel, want haar mooie schoentjes werden wel erg nat. Zo niet de gelaarsde dochter, die haar oog op de dotterbloemen had laten vallen. Met een boeketje van die grote goudgele bloemen wilde ze wel thuiskomen, daar konden geen honderd madeliefjes tegenop.

Het vriendelijk verzoek van A. aan het meisje om toch alsjeblieft die mooie bloemen te laten staan had geen enkel effect. Ik richtte me daarom tot de moeder. Lees verder Een opvatting

Afval ruim je op

Vuilruimactie Staatsbosbeheer in uiterwaard Bakenhof, met 90 kin“Natuurlijk laat je buiten geen troep achter!” zegt Ruben. Hij is ook niet te beroerd om afval van anderen op te ruimen zoals hier, in de uiterwaard van de Rijn: “Ik vind deze vuilruimactie leuk, want ik ben graag buiten en je vindt hier ook mooie dingen!
Trots laat hij me schelpen zien, een slakkenhuis, een veer en een doorzichtig halfverteerd blad waarvan alleen nog de nerven resteren.
Hij komt hier regelmatig, met zijn vader en soms z’n zusje, om te vissen in de rivier. Hij wijst op een diep in het water liggende fuut: “Hé, is dat geen aalscholver?” Ruben gaat weer verder, want er is nog veel te doen.

Boswachter Rick Basten bij start van Vuilruimactie Staatsbosbehe

Ook de 90 andere kinderen van groep 7 en 8 van de Margarethaschool in Arnhem werken gemotiveerd op deze jaarlijkse voorjaarsschoonmaak van Staatsbosbeheer.
Zojuist hebben ze van boswachter Rick gehoord dat vogels ook in kleine stukjes plastic kunnen stikken. En ook voor de koeien die hier straks grazen is die troep gevaarlijk.
En daarbij, het staat niet fraai. Dat weten de kinderen uit eigen ervaring; de meesten wonen dichtbij en ze komen hier regelmatig.
In totaal wel 667 leerlingen van zeven basisscholen uit de omgeving maken deze week acht uiterwaarden in de Gelderse Poort schoon. De Arnhemse Bakenhof oogt van een afstand redelijk schoon. Maar schijn bedriegt.

Vuilruimactie Staatsbosbeheer in uiterwaard Bakenhof, met 90 kinDat de nieuwe zwarte schoenen van Kadi grijs kleuren van de modder deert haar weinig. Zij sleept al heel wat troep mee in de blauwe zak: kleine flesjes, schroefdoppen, purschuim, blikjes, en stukken plastic, heel veel plastic.
Ze woont net aan de andere kant van de dijk en komt hier vaak: “Hier kan je een leuk rondje fietsen.” Haar jaszak puilt uit van zoetwatermossels. Graag zou ze ook nog die grote stukken plastic aan de overkant van het water verzamelen, of de troep in het langsstromende water. “Meester, heeft u geen bootje?”
Oog voor alles, niet in de laatste plaats voor haar klasgenootjes. Zo stuitert ze over de oever. Van grote afstand hoor ik haar roepen: “Nóg een condoom!” Met haar trofee op een takje gestoken rent ze opgewonden naar de juf.

‘Supergaaf’ noemt de glunderende Damion met kekke coupe deze actie. Zorgvuldig speurt hij de smalle zone af waar het laatste hoogwater veel troep achterliet. “Vorig jaar deed ik ook mee, maar volgend jaar zal het niet meer zal kunnen: dan zit ik op de middelbare school.” Een oplossing heeft hij al bedacht: “Ik ga zelf wat zoeken om toch elke week een natuurgebied schoon te kunnen maken.”

Terug op de dijk ruilen de kinderen na dik twee uur werken hun volle zakken en werkhandschoenen bij de auto van Staatsbosbeheer in voor gevulde koek en een drankje. Boswachter Rick is zeer tevreden.

Boomfeestdag in Park Lingezegen

In het kale landschap van het jonge Park Lingezegen zag ik ze al van grote afstand, de 160 kinderen en hun begeleiders. Als een lang lint mieren sliertten zij in straf tempo naar hun werkplek voor deze ene ochtend. Dichterbij gekomen zag ik kleurige werkhandschoenen, 160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedsestoere laarzen en met schoppen beladen kruiwagens. De kinderen praatten en renden opgewonden – niet gek, want bomen planten doe je niet dagelijks.

De mierenstroom splitste en splitste. Op verschillende plekken moesten hagen geplant voor het toekomstige voedselbos (boomgaard). De te planten bomen en struiken lagen al klaar: sprietige takjes met een dot wortels. Eerst de instructie en dan in kleine groepen aan de gang.

160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedseDe gretigheid was groter dan de praktische vaardigheid. Het valt ook niet mee zo’n gat graven in de harde klei – zeker niet als je voor het eerst van je leven de spade hanteert. Met zo veel handen ging het werk snel. Ik zag de haag groeien.

Bij steeds meer kinderen ging het planten over in spelen en keten (met zo’n schop kan je leuk grond gooien!). Weer anderen tilden zwaarder aan hun serieuze taak. Zo zag ik duo’s die in devote concentratie de ene na de andere plant in de grond brachten. Zeer secuur, met maximale toewijding. Ze leken bijna in trance en zich sterk bewust van de magie van de boom: nu nog een iel sprietje maar straks mogelijk een oude reus.

160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedseHet deed me denken aan mijn eigen jeugd. Ik wist niets van boomfeestdag (onze gemeente had meer met weilanden dan met bomen en bossen), maar ik deed wel zelf natuurexperimenten. Op kiemende bruine bonen was ik snel uitgekeken. Het maakte me wel rijp voor het echte werk: bomen opkweken.
In de duinen verzamelde ik zaad van den en eik. Dit kweekte ik op in een hoekje van onze tuin. Zo beleefde ik vlak onder mijn neus de metamorfose van zaadje tot kiemplant en vervolgens minuscuul boompje. Natuurlijk ging het kweekproces vaak mis – want ondanks mijn toewijding vergat ik mijn kwekerij ook wel eens een poosje – maar enkele bomen zijn minstens tientallen jaren oud geworden.

En belangrijker: mijn fascinatie voor bomen is nooit meer verdwenen.

Kapstok

Het wil maar niet wennen, die dubbele kapstok in de tuin van de buren. Vorige week nog stond daar een trotse esdoorn met een wijd gespreide kroon. De trots van de straat. Geliefd bij vogels, vleermuizen en alle omwonenden. Zeldzaam hoogopgaand groen in de stenen jungle van deze binnenstadswijk.

De boomverzorger had duidelijk zin in deze klus. Gezekerd aan lange touwen jongleerde hij snel en soepel over de takken en vergat niet zijn gevaarlijke speeltje – de motorkettingzaag – regelmatig te laten janken. Binnen een paar uur was het gepiept. Nog nooit stond dat lelijke schoolgebouw zó dichtbij.

De buurman opdrachtgever was op de bewuste dag niet thuis. Hij kan er nog steeds niet over uit hoe zijn toch duidelijke instructie leidde tot dit afzichtelijke resultaat. ‘Graag de klimop van de boom verwijderen en die twee, drie vervaarlijk overhangende takken boven het dak van de school’, dat was alles wat hij vroeg.

Kandelaberen noemen boomverzorgers deze operatie. Misschien is deze drastische snoei voor zo’n oude boom met dubbele stam zo gek nog niet… Ik durf het niet te zeggen: ik weet veel van bosbeheer maar niets van dit soort fratserij. In elk geval, het ding ziet er nu niet uit. Een boom onwaardig. En het is zeer de vraag of het slachtoffer ooit weer een beetje in model komt. (Optimistisch als ik ben ga ik er maar vanuit dat de taaie rakker de meervoudige amputatie overleeft…)

Ik kan niet wachten tot de takken weer gaan uitlopen en de kapstok zich weer tot esdoorn ontplooit. Boomverzorgers, vertrouw ze nooit!

Stekelige bondgenoot

Goed nieuws van het slakkenfront.
De afgelopen week zag ik opvallend weinig naaktslakken. Een groot verschil met de periode ervoor, waarin vrouwlief en ik vele families naar het spoortalud dwongen te emigreren. Dat komt ervan als je je tuin langere tijd onbeheerd achterlaat: als beesten zijn die glibbers tekeer gegaan.

Gisterenavond deden we een sensationele ontdekking. Vanaf onze veranda hoorden we in de duisternis ‘iets’ met veel misbaar achter in de tuin rondscharrelen. Het gekraak van blad klonk anders dan bij een kat, maar wat? Een muis, een rat, of…?
Dichterbij geslopen zagen we eerst niets, toen bewegende plantendelen, en daar zat ie ineens: een egel – vlak voor onze neus.
Van schrik durfden wij nauwelijks te bewegen, de egel idem.

Blij met onze gast kropen wij terug naar de veranda, om daar op gepaste afstand de egel te volgen. De hamvraag was: eet dit beestje onze heerlijke malse naaktslakken, ja of nee? Veel zagen we niet van de rooftocht. Maar op gehoor konden we de jager goed volgen. Onze oren registreerden krakende slakkenhuizen, vriendelijk gebrom en zelfs een nies. Als gedreven wildspotters hingen wij over de balustrade, gepitst op het kleinste egelscheetje. Maar hoe klinkt het opslobberen van een vette naaktslak?

Vrouwlief zei dat ze deze geluidjes ook voorgaande avonden had gehoord. Vrouwlief beweerde na het tweede glas wijn zelfs twéé egels in onze achtertuin te spotten…
De hoogste tijd om het bed op te zoeken.

Nog steeds weet ik niet zeker of naaktslakken in de smaak vallen bij onze egel(s). Maar ook vanmorgen heb ik nauwelijks een slak gezien.