Categoriearchief: bos en bomen

Dwangsom voor Poolse bosslopers

Afgelopen week heeft het EU-hof de Poolse regering een ultimatum gesteld voor de illegale kapactiviteiten in het beroemde woud van Bialowieza. Als men doorgaat met houtkappen is de boete 100.000 euro per dag.

Elzenbroekbos in Bialowieza

Het is zeer ongebruikelijk dat het EU-Hof zo’n drastische uitspraak doet, maar Polen heeft het er naar gemaakt. Ondanks eerdere waarschuwingen vanuit Brussel gaan de staatsbosbeheerders, in opdracht van hun regering, gewoon door met het molesteren van een van de meest waardevolle bossen van Europa. De huidige christelijk-conservatieve regering (PiS) heeft lak aan de Natura2000- status die Europese bescherming garandeert. Liever laat het haar oren hangen naar lokale boeren en boswachters dan naar natuurbeschermers en wetenschappers uit de grote stad. Om van buitenland en het verderfelijke Brussel maar te zwijgen.

Wat is er concreet aan de hand?
Anderhalf jaar geleden, kort na het aantreden van de PiS-regering, verviervoudigde de minister van milieu het kapvolume voor het staatsbos. Als reden noemde hij het weer gezond maken van het bos na een bastkeverplaag. Elke ecoloog begrijpt dat dit een smoes is, immers bastkevers horen net zo goed bij bos als spechten. De ware reden is ongetwijfeld geld. De meeste wetenschappers in de Raad voor Natuurbescherming bekritiseerden het kapplan; zij zijn direct vervangen door PiS-getrouwen. Zo gaat dat in Polen.

Dode bomen zijn onmisbaar voor gezonde, levende bossen. Het levert voedsel voor talrijke paddenstoelen en kleine beestjes. Mede daarom leven in Bialowieza wel 9 soorten spechten.

Waarom het boscomplex van Bialowieza zo bijzonder is?
Het is een van de zeldzame, nog nauwelijks door mensen gemanipuleerde laaglandbossen van Europa. Het is zeer rijk aan planten, dieren en allerlei natuurlijke processen die in meer gecultiveerde bossen niet of nauwelijks te vinden zijn.
Ook buitengewoon is zijn omvang: het woud bestrijkt 1500 vierkante kilometer, waarvan 3/5 deel in Wit-Rusland. Die uitgestrektheid maakt het tot een ideaal leefgebied van planten en (grote) dieren, omdat het minder kwetsbaar is voor verstoringen van buiten. Het Poolse deel omvat het beroemde nationaal park (10.000 ha) dat ingebed ligt in een staatsbos van 50.000 ha waar bosbouw wordt bedreven – tot voor kort extensief. Ook hier is de biodiversiteit zeer hoog.
Lees verder Dwangsom voor Poolse bosslopers

Lievelingsboom

De es kende ik al voordat ik wist wat een es was. Hij sierde als laanboom de brede straat naast de onze. Die straat was anders, net als de bewoners. Zij woonden in ruime witgeschilderde koophuizen en gingen ’s zomers op vakantie. Op het trottoir – in de schaduw van het sierlijk geveerde essenblad – leerde ik fietsen en speelde tikkertje en indiaantje met mijn vriendjes. Zonder de naam te weten was deze boomsoort me dierbaar en vertrouwd. Als klein jongetje voelde ik de allure die de es verhief boven de populier en paardenkastanje – de ‘gewone’ bomen in de wijk.

Bijna twee decennia later bezocht ik vele van de mooiste bossen van Europa. Daar zag ik de es in zijn natuurlijke biotoop: langs beken en rivieren op vruchtbare, vochtige bodems. Als reusachtige kandelaars toornden breedgekroonde essen boven de andere bomen uit – boven iep, kers en els – en wedijverden om licht met majestueuze eiken. In dit buitengewone bos zongen buitengewone vogels als appelvink, nachtegaal en wielewaal. En in het gedempte licht op de grond trof ik een ongekend gevarieerde tapijt van bloemrijke planten en paddenstoelen. Dit was bos zoals bos behoort de zijn. Vanaf dat moment was de es mijn lievelingsboom.

Essensterfte
Al jaren lees ik in vakbladen dat de es door sterfte uit ons land dreigt te verdwijnen. Een schimmel blokkeert de sapstroom en maakt dat blad en wortels verdrogen. Eerst zien, dan geloven – dacht ik. Want beheerders en onderzoekers willen nog wel eens overdrijven.

Essensterfte in Horsterwold.

Totdat ik onlangs enkele dagen in het Horsterwold bij Zeewolde kampeerde. Hier de op rijke zeeklei van Zuidelijk Flevoland heeft zich in de afgelopen 40 jaar een geweldig interessant bos ontwikkeld. Volgens Staatsbosbeheer het grootse loofbos van West-Europa. De es is een van de belangrijkste boomsoorten in dat woud. En overal zag ik daar dat de es crepeert. Hoe beter ik keek, hoe minder gezonde bomen ik vond. Afgestorven takken, dode bomen, of kreupele bomen met slechts hier en daar een toefje gezond blad zag ik in overvloed. Zo ziet dus de essentaksterfte er uit.

Volgens deskundigen is er niets tegen te doen. Niets anders dan wachten en hopen dat er voldoende exemplaren van de es worden aangetroffen die minder gevoelig zijn voor de schimmel. Tweehonderd gezonde bomen zijn nodig om een nieuwe resistente generatie essen te ontwikkelen.

Ja, de nachtegaal en appelvink heb ik nog wel gehoord. Maar hoe zal dat de volgende jaren zijn? Want met het wegvallen van de es verandert het strooisel en ook het lichtklimaat op de bodem. En dat beïnvloedt weer vele tientallen bodemplanten, vogels en vlinders.
Ik zou niet durven zeggen hoe dit afloopt…

Kapstok 2

In mijn eerste blog van dit jaar beschreef ik hoe boomverzorgers de trotse esdoorn van de buren verhaspelden tot kapstok. Tijd voor een vervolg.

Vol ongeduld speurde ik in maart en april het kale ding af naar een teken van leven. Maar nee, het tweestammige gedrocht stond daar als uit graniet gebikt: doods. Het enige leven bestond uit een mannetjesmerel, die de top van de totempaal als zangpost verkoos.

Half mei, toen alle bomen in de omgeving al hun frisgroene jas droegen, stond het ding er nog even levenloos bij. Al deed ik naar mijn buren optimistisch – “Jullie zijn te ongeduldig; geef de boom wat tijd” –  zelfs ik begon mijn vertrouwen in een goede afloop te verliezen.

Tegen beter weten in scande ik dagelijks met de verrekijker stammen en takken, alsof ik zo het ding tot leven zou kunnen wekken. En warempel, na een week speuren ontdekte ik de eerste ‘wratjes’, die in enkele dagen evolueerden tot geelgroene propjes gewas. Het wonder was geschied, er zat leven in het visuele lijk!

Nu ging het hard. Want een week later telde ik al dertig plukjes groen, die voorspoedig uitgroeiden tot herkenbare esdoornbladeren. Het resultaat eind mei zie je op de foto boven dit verhaal.

Als ik dit schrijf zijn we twee weken verder. De boom oogt vitaal groen en het bladerdak breidt zich nog steeds uit.
Het valt me op dat uit veel knoppen complete mini-boompjes ploppen, met een kaarsrecht stammetje en blad langszij (foto hiernaast). Dat zal op termijn een wel heel bijzonder model opleveren: een soort dubbele groene toorts. Dus een boom die weinigen als esdoorn zullen herkennen.

Maar laat ik niet klagen, het ding leeft. Dat is het belangrijkste. Door het weelderige groen heeft de merel de totempaal verlaten en zijn oude zangpost op het dak weer opgezocht, maar daarvoor kwamen mus en koolmees in de plaats. Ook de vleermuizen mogen rond het groene ding graag hun rondjes draaien.

Het ding heeft ook voor mij voordelen: onze zonnige tuin beleeft, heel anders dan vorig jaar, nog geen slakkenplaag. En de tuinplanten bloeien dat het een lieve lust is.

Gekandelaberde schietwilg tegen wolkenAls toegift hiernaast nog een plaatje van een schietwilg die ongeveer gelijktijdig met de esdoorn gekandelaberd is:
een multi-knotwilg dus.
Oordeel zelf.

 

Boomfeestdag in Park Lingezegen

In het kale landschap van het jonge Park Lingezegen zag ik ze al van grote afstand, de 160 kinderen en hun begeleiders. Als een lang lint mieren sliertten zij in straf tempo naar hun werkplek voor deze ene ochtend. Dichterbij gekomen zag ik kleurige werkhandschoenen, 160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedsestoere laarzen en met schoppen beladen kruiwagens. De kinderen praatten en renden opgewonden – niet gek, want bomen planten doe je niet dagelijks.

De mierenstroom splitste en splitste. Op verschillende plekken moesten hagen geplant voor het toekomstige voedselbos (boomgaard). De te planten bomen en struiken lagen al klaar: sprietige takjes met een dot wortels. Eerst de instructie en dan in kleine groepen aan de gang.

160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedseDe gretigheid was groter dan de praktische vaardigheid. Het valt ook niet mee zo’n gat graven in de harde klei – zeker niet als je voor het eerst van je leven de spade hanteert. Met zo veel handen ging het werk snel. Ik zag de haag groeien.

Bij steeds meer kinderen ging het planten over in spelen en keten (met zo’n schop kan je leuk grond gooien!). Weer anderen tilden zwaarder aan hun serieuze taak. Zo zag ik duo’s die in devote concentratie de ene na de andere plant in de grond brachten. Zeer secuur, met maximale toewijding. Ze leken bijna in trance en zich sterk bewust van de magie van de boom: nu nog een iel sprietje maar straks mogelijk een oude reus.

160 kinderen van basisscholen uit Elst planten hagen voor voedseHet deed me denken aan mijn eigen jeugd. Ik wist niets van boomfeestdag (onze gemeente had meer met weilanden dan met bomen en bossen), maar ik deed wel zelf natuurexperimenten. Op kiemende bruine bonen was ik snel uitgekeken. Het maakte me wel rijp voor het echte werk: bomen opkweken.
In de duinen verzamelde ik zaad van den en eik. Dit kweekte ik op in een hoekje van onze tuin. Zo beleefde ik vlak onder mijn neus de metamorfose van zaadje tot kiemplant en vervolgens minuscuul boompje. Natuurlijk ging het kweekproces vaak mis – want ondanks mijn toewijding vergat ik mijn kwekerij ook wel eens een poosje – maar enkele bomen zijn minstens tientallen jaren oud geworden.

En belangrijker: mijn fascinatie voor bomen is nooit meer verdwenen.

Kapstok

Het wil maar niet wennen, die dubbele kapstok in de tuin van de buren. Vorige week nog stond daar een trotse esdoorn met een wijd gespreide kroon. De trots van de straat. Geliefd bij vogels, vleermuizen en alle omwonenden. Zeldzaam hoogopgaand groen in de stenen jungle van deze binnenstadswijk.

De boomverzorger had duidelijk zin in deze klus. Gezekerd aan lange touwen jongleerde hij snel en soepel over de takken en vergat niet zijn gevaarlijke speeltje – de motorkettingzaag – regelmatig te laten janken. Binnen een paar uur was het gepiept. Nog nooit stond dat lelijke schoolgebouw zó dichtbij.

De buurman opdrachtgever was op de bewuste dag niet thuis. Hij kan er nog steeds niet over uit hoe zijn toch duidelijke instructie leidde tot dit afzichtelijke resultaat. ‘Graag de klimop van de boom verwijderen en die twee, drie vervaarlijk overhangende takken boven het dak van de school’, dat was alles wat hij vroeg.

Kandelaberen noemen boomverzorgers deze operatie. Misschien is deze drastische snoei voor zo’n oude boom met dubbele stam zo gek nog niet… Ik durf het niet te zeggen: ik weet veel van bosbeheer maar niets van dit soort fratserij. In elk geval, het ding ziet er nu niet uit. Een boom onwaardig. En het is zeer de vraag of het slachtoffer ooit weer een beetje in model komt. (Optimistisch als ik ben ga ik er maar vanuit dat de taaie rakker de meervoudige amputatie overleeft…)

Ik kan niet wachten tot de takken weer gaan uitlopen en de kapstok zich weer tot esdoorn ontplooit. Boomverzorgers, vertrouw ze nooit!

Bladblazers en andere gektes

Een dreinend motorlawaai wekt me ruw. Het is weer zover. Ik spring uit bed naar het raam om de benzinedampen buiten te sluiten. De motorbende doet zijn ronde in onze wijk bij voorkeur als ik nog op een oor lig. Eerst komen de bladblazers, vervolgens de veegmachine. Maar vandaag klaag ik niet al te hard want het is waarschijnlijk de laatste keer dit jaar. De bomen zijn kaal.

Het zou verboden moeten worden. Niet het blazen, wel die luidruchtige en stinkende motoren. Welke viespeuk heeft de brulblazer in hemelsnaam uitgevonden? Was er iets mis met bezem of bladhark?

Ik weet nog precies wanneer ik dit apparaat voor het eerst in werking zag. Dat was in de lommerrijke Clematislaan in Aerdenhout, op 14 november 1984, toen ik op weg was naar de psychiater. Deze moest in opdracht van de minister van Defensie vaststellen of het goed zat in mijn bovenkamer, of ik wel een geweten had.
Vlak bij het huis van deze hooggeleerde zielknijper zag ik een mannetje in de weer met deze brulblazer. Het woei hard en de wind draaide alle kanten op. Het was een gevecht tussen mens en de elementen, wat deze mens glansrijk verloor. Want ondanks zijn inspanning blies de wind al dat lover met dezelfde kracht weer terug. Aan de bladermassa op straat was niet te zien waar het blaasmannetje was geweest.
Wie is hier nu gek, dacht ik.

De bladblazer is nu al jaren ingeburgerd. Iedereen met tenminste vijf vierkante meter tuin of oprit heeft zo’n ding in de schuur. Altijd handig om je buren mee te pesten.

Maar het kan nog gekker. Bij ProRail zijn ze zó bang voor herfstblad dat ze onlangs besloten hebben voor een nieuwe strategie: het kwaad bij de bron aanpakken. ProRail heeft de oorlog verklaard aan de bomen langs het spoor.
De hoogste tijd om het topmanagement van ProRail naar de psychiater te sturen. Ik weet nog wel een adresje.

O ja, mijn geweten is vastgesteld.

Een bos voor mezelf

Ik had het kunnen weten. Het fraaie herfstweer heeft vandaag wel erg veel mensen naar de Veluwse bossen gelokt. Ik baal een beetje terwijl ik vele klontjes senioren voorbijpeddel. Want al gun ik iedereen zijn portie natuur en frisse lucht, vanmiddag wens ik rust, absolute rust. Even geen schreeuwende sporters op mountainbikes of luid kwebbelende vriendinnen met kekke windjacks. En al helemaal geen gillende kinderen achter een bal. Egoïstisch – ja, ik weet het.
Gelukkig is er in dit uitgestrekte bosgebied, zelfs op dagen als deze waarop iedereen buiten lijkt te zijn, nog ruimte om je terug te trekken. Mits je de goede plekken weet.

Paddenstoelen in beukenbosVoorbij het Onzalige Bos – alleen die naam al – weet ik een spannend wild bos waar maar zelden bezoekers komen. Hier onder de kolossale beuken waan ik me in een middeleeuwse kathedraal waar niets de serene stilte doorbreekt. Of het moest de opgewonden roep van de zwarte specht zijn, of de havik die mijn komst met afkeuring begroet. Het bladerdak hoog boven me strooit een goudgeel licht over de bodem. De paddenstoelen glanzen en glimmen. Talrijke modderige zoelen duiden op wilde zwijnen, die ik helaas niet zie. Het bos geurt naar aarde, naar leven en vergankelijkheid.

Ik trap tegen een opgewaaide berg blad enPaddenstoelen in beukenbos klauter een heuvel op. Vanaf een omgewaaide boom overzie ik het bos, mijn bos.
Heel ver weg van thuis voel ik me hier. Het zou net zo goed een bergwoud in Tsjechië of Slovenië kunnen zijn. Kruipend op mijn knieën bekijk ik de wereld door mijn camera. Ik verlies me in slijmerige schimmels en rottende boomlijken, in keiharde tonderzwammen en fragiele porceleinzwammetjes.

Na twee uurtjes afzondering zijn mijn batterijen helemaal opgeladen en kan ik me weer onder de mensen begeven. Onderweg groet ik de eenzame fietser die ook huiswaarts keert.

3.040.288.194.283 bomen

3.040.288.194.283, zoveel bomen staan er op dit moment op aarde, schrijven onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. Een astronomisch getal, zó groot dat ik me er weinig bij kan voorstellen. Komisch vind ik die laatste 283. (Zijn het echt geen 282 of 284 exemplaren?) Alsof de onderzoekers mijn spottende glimlach zien, geven ze ruiterlijk toe dat de ze er met hun schatting ook 100 miljard naast kunnen zitten. Dat klinkt me direct al veel realistischer in de oren.

3.040.288.194.283 bomen, Is dit nu veel of weinig? Laat ik het wat concreter maken: dit getal betekent dat elke bewoner van onze mooie planeet gemiddeld 413 bomen tot zijn of haar beschikking heeft. Grote maar vooral veel kleine bomen.

“Mijn” bosje
Terwijl ik schuilde voor een stortbui probeerde ik me gisteren in een jong bos op de Veluwe voor te stellen hoe “mijn” bosje van 413 bomen er uit zou zien. Ik telde de bomen rondom me, tot 413. Dit aantal bedekte hier een vlak van nog geen 40 bij 40 meter. Zo groot was dus mijn bosje. Op een plek met meer kleine bomen was mijn bosje vanzelfsprekend kleiner uitgevallen.
Bovendien, laat ik me niet rijk rekenen. Nederland is een bosarm land. Elke inwoner van dit kikkerlandje beschikt over gemiddeld slechts 20 bomen, aldus Nature. Dat is 5 procent van 413…
Slik.
Dat is een bosje formaat achtertuin; een postzegel!
Gelukkig hield de regen op, snel fietste ik snel weg. In dit bos werd ik depressief.

Maar het kan nog veel beroerder.
Lees verder 3.040.288.194.283 bomen

Oerbos in Arnhem

Net terug uit het buitenland hoor ik van mijn buren dat Arnhem een oerbos rijker is geworden. Van verbazing val ik bijna van mijn vakantiefiets. Je moet weten: ik ben een groot bosliefhebber (what’s in a name…) en oerwouden zijn mijn ideaal. Maar een oerbos uit de arme Veluwse grond trekken in minder dan een maand, dat is toch wel erg gortig! Snel naar mijn computer om het nieuwsbericht te checken.

Het staat er inderdaad. Gemeente Arnhem heeft besloten om in een deel van het gemeentelijk bosgebied niet meer in te grijpen, maar de natuur daar haar gang te laten gaan. Het gaat om 80 hectare op de Waterberg, tussen Burgers’ Zoo en de A50.

Dat is geweldig nieuws. Want bossen waar de mens met zijn tengelsOerbos De Waterberg, Arnhem vanaf blijft, leveren de meest interessante en spannende natuur op. In dit soort natuurbossen gedijen veel karakteristieke bosplanten en bosdieren, véél meer dan in het normale beheerde bos – dat weet ik van de vele (vrijwel) ongerepte natuurbossen die ik in het buitenland bezocht.

Alleen, na stoppen van het actieve beheer duurt het nog wel een poosje voordat de bezoeker van dit bos het oerwoudgevoel krijgt. Bomen hebben tijd nodig om uit te groeien, te sterven en om te vallen, zich te verjongen. En de bijzondere planten en -beestjes hebben tijd nodig om ziOerbos De Waterberg, Arnhemch te vestigen.

Op de Waterberg zal dat, schat ik, toch minstens 1 – 3 eeuwen duren. Pas dan ziet het bos er wild en weelderig uit. (Al is er nu ook al zat te beleven: zie foto’s hiernaast).

Ik stel voor dat we deze zomer allemaal even naar dit oerbos in wording gaan kijken, en vervolgens honderd jaar niet terugkomen. En dus ook niet klagen dat het allemaal zo langzaam gaat.

Lees verder Oerbos in Arnhem

Weinig bos, veel bomen

Als bosliefhebber kom ik in Israël slecht aan mijn trekken. Hier geen woeste wouden of uitgestrekte gebieden waar je in de schaduw van boomkronen uren kunt struinen, beschermd tegen die koperen ploert.

HvdB20150322-050Het weinig bos dat ik zag was jong en eenvormig. Meestal bestond het uit pijnbomen (familie van onze groveden), eucalyptus, of cypres. De eikenbosjes die ik zag maakten weinig indruk. Door die kleine boompjes voelde ik me meer in een boomgaard dan in een bos. Al kan dat de leeftijd zijn. HvdB20150320-001Grappig vond ik wel dat deze eikensoorten qua blad (zie foto) totaal niet lijken op de eiken in Nederland.

De Israëli’s koesteren hun bossen. Met pijn en moeite hebben ze alle bomen aangeplant. Daarmee begonnen ze een eeuw geleden, nadat door wilde kap en overbegrazing vrijwel al het bos was verdwenen. Als je er op let zie je nog steeds op veel plaatsen bebossingprojecten. En ik kan je vertellen: het bebossen van droge, rotsige berghellingen, waarvan door erosie veel grond is afgespoeld, valt nog helemaal niet mee! Hiervoor verdienen de bosbouwers mijn diep respect. Wettelijk zijn bomen tegenwoordig goed beschermd. Wellicht wil men weer toe naar de weelderige wouden, die er lang geleden geweest moeten zijn (als je de bijbel mag geloven). Lees verder Weinig bos, veel bomen