Een mooie fik geeft veel plezier, vond ik als kleine jongen. Op een wild terreintje, aan de rand van ons dorp, heb ik met mijn vriendjes heel wat sloophout en (natte) takken verstookt. Vuurtjes maakten we vooral bij onze hut, om ook op koude dagen warm te blijven. Bij de dansende vlammen kwamen de eerste sigaretten en filosofieën, en later de meisjes.
Na die tijd konden vuurtjes mij niet meer boeien, dacht ik. Maar toen ik onlangs onderweg was naar de Noord-Veluwe, om op het schietkamp Oldebroek eens mee te maken hoe Defensie grote oppervlaktes heideterrein afbrandt, begon het weer onbedaarlijk te jeuken. Een fik van tientallen hectares groot, dat wilde ik wel eens zien!
Waarom Defensie hier brandt?
Voor de oefeningen hebben de militairen een vrij schootsveld nodig, een korte begroeiing ligt dus voor de hand. Een korte vegetatie betekent bovendien: minder brandstof, dat tijdens een granaatinslag zou kunnen ontbranden. Wil je hei behouden, dan mòèt je wel ingrijpen om te voorkomen dat de hei zich ontwikkelt naar bos. Op dit grootste aaneengesloten heideterrein van Nederland (1700 ha) zijn zagen, maaien en begrazen niet praktisch. Branden des te meer. Dat wordt hier al ruim 130 jaar consequent gedaan. Jaarlijks steken de zeer ervaren pyromanen van Defensie zo’n 200 ha in de hens. Gecontroleerd, dat moet gezegd.
Dood en verderf
Een grote brand brengt dood en verderf, zou je denken. Maar als je serieus rekening houdt met de planten en dieren – zoals Defensie doet– is er ook winst.
De natuur past zich aan. Zo leven op de Oldebroeker Heide de grootste West-Europese populaties van kleine wrattenbijter en zadelsprinkhaan, komt de zeldzame plant valkruid (Arnica) weer terug en is dit gebied een van de landelijke bolwerken van de grauwe klauwier, een zangvogel met een roofvogelsnavel die de gewoonte heeft zijn prooien (insecten, muizen) ergens op te prikken voordat hij ze consumeert. Dit gebied is dus gelijktijdig militair oefenterrein als waardevol en beschermd natuurgebied (Natura2000).
Branden in de praktijk van Defensie
Iets in de fik steken is gemakkelijk, goed branden niet. Het onder controle houden van een grote brand stelt hoge eisen aan het brandweerkorps, dat heb ik zelf kunnen ervaren. Er waren wel 30 mensen bij betrokken: afbranders én blussers. Er reden 5 bluswagens rond en een waterwagen, alles aangepast aan dit ruige terrein. Buiten Defensie zijn er geen korpsen die aan dit materieel en ervaring met natuurbranden kunnen tippen, vandaar dat branden van heide elders maar zelden, en dan nog zeer kleinschalig wordt gedaan.
Timing
Om de natuur zoveel mogelijk te ontzien is de timing van het afbranden heel belangrijk. De planten moeten in winterrust zijn, de insecten nog diep in de bodem. Daarom brandt men altijd aan het eind van de winter. Liefst als de bodem nog bevroren is. Het gewas moet goed droog zijn. Graag hebben de afbranders wind, dat geeft het vuur richting en vaart. Maar teveel wind is ook weer gevaarlijk. En zo zijn er nog wel wat eisen. In de praktijk wordt lang niet elk jaar de geplande oppervlakte gebrand: omdat het weer tegenzit.